|
De Prijsschepen
Onmiddellijk na de oorlogsverklaring werden de vijandelijke schepen, welke zich in Nederlandsch Oost- en West Indische havens bevonden, voorzover zij niet door de bemanning tot zinken waren gebracht, in beslag genomen en als z.g. "prijsschepen" geexploiteerd. Hetzelfde geschiedde met de gedurende den oorlog buitgemaakte schepen. Zodoende bezat de Nederlandsche koopvaardij na de invasie 29 prijsschepen met een tonnage van 16i.232 b.r.t., waarvan echter binnen drie jaar niet minder dan 19 (7 S %) verloren gingen. Twee Vichyschepen, welke door de kanonneerboot "van Kinsbergen" naar Trinidad waren opgebracht, warden door de Britsche Regeering overgenomen, terwijl een door de Duitschers geexploiteerd Nederlandsch schip door de Vrije Franschen te Algiers aan de Nederlandsche Regeering werd overgedragen. In verband hiermede zij vermeld, dat de Nederlandsche Regeering een scherp meeningsgeschil had met de Regeering van Vichy, over haar weigering toestemming te verleenen tot het vertrek van vier kleine Nederlandsche schepen met een 50 man aan boord, welke in Noord Afrikaansche havens werden vastgehouden. In verband hiermede werd door de Nederlandsche Regeering de bemanning van het Fransche vrachtschip ss. Dupleix (7.135 b.r.t.) op een der eilandjes bij Tandjong Priok een tijdlang geinterneerd. Onder de prijsschepen bevonden zich meerdere groote lijnschepen o.a. het nieuwe Duitsche m.s. Noesaniwi van 7.000 b.r.t. en met een snelheid van 16 mijl.
De Verkoop der ladingen Tijdens de invasie bevonden zich een groot aantal Nederlandsche zeeschepen, met een lading van ruim 8oo.ooo ton, op weg naar Europa. Zij werden in allerijI naar havens in Engeland en Frankrijk gedirigeerd, en de door de Regeering opgerichte Scheepvaartcommissie richtte een speciale Handelssectie op, welke tot taak had voor de belangen van de eigenaren der goederen in die schepen te waken. Met de Britsche Regeering werd overeengekomen, dat deze,ten einde een spoedige lossing der schepen te bevorderen, de ladingen zou requireeren en hiervan die goederen zou behouden, welke voor de Britsche economie op dat tijdstip van belang waren, dus hoofdzakelijk grondstoffen en voedingsmiddelen. De overige goederen werden door de Britsche Regeering aan de Nederlandsche Scheepvaart- en Handelscommissie teruggegeven, en door deze verkocht. Voor de door de Britsche Regeering behouden goederen, werd als koopprijs overeengekomen de f.o.b. prijs, vermeerderd met vracht en assurantie, berekend volgens Engelsche tarieven. De verkoop van de aan de Nederlandsche Scheepvaart- en Handelscommissie teruggegeven goederen kon slechts geleidelijk geschieden hetgeen, gezien de bewogen marktontwikkeling, een zeer uiteenloopende opbrengst ten gevolge had. Sommige goederen konden niet, of slechts met groot verlies worden verkocht, zooals onderdelen van installaties in Nederland, gebruikte persoonlijke goederen enz. Deze zijn dan ook aangehouden. De in Frankrijk gestrande ladingen werden grootendeels door de Fransche Regeering overgenomen, doch de transacties konden door den val van Frankrijk niet worden afgewikkeld.
Bewapening der Koopvaardijvloot Een der voornaamste eischen ten opzichte van de veiligheid onzer schepen was wel, dat alles in bet werk diende te worden gesteld de schepen, naast het demagnetiseeren, van een behoorlijke bewapening te voorzien. Aangezien zowel voor de Engelschen als voor de overige geallieerden het probleem der bewapening zeer moeilijk was, werd van den aanvang of getracht terzake tot een uniforme gedragslijn to geraken. Dank zij de steun der Engelsche Admiraliteit, de eenige instantie die bewapening ter beschikking kon stellen, konden vrijwel alle schepen boven 15 00 B.R.T. reeds spoedig van een 4" anti-duikboot kanon en enige luchtdoelmitrailleurs worden voorzien. De kleinere schepen werden voorlopig bewapend met lichte mitrailleurs. Als beveiliging tegen mijnengevaar werden de schepen gedemagnetiseerd, terwijl sommige der grootere schepen bovendien met paravanen werden uitgerust. Gaandeweg werd meer en vooral zwaarder afweer-bewapening aangebracht, zodat de Groote Vaartschepen behalve met een anti-duikboot kanon, met tenminste 6 zware 20 mm. mitrailleurs (oerlikons) en eenige lichtere mitrailleurs werden uitgerust. Vele grootere schepen werden naderhand voorzien van duikbootdetectors (Radar). De bediening der bewapening geschiedde aanvankelijk met eigen scheepspersoneel, dat daartoe aan den wal korte cursussen volgde. Later werden ook Nederlandsche soldaten van de Prinses Irene Brigade en een aantal Engelsche leger- en vlootkanonniers beschikbaar gesteld. In 1942 richtte de Nederlandsche Admiraliteit te Liverpool een D.E.M.S. (Defensive Equipped Merchant Service) centrum op, waar Nederlandsch koopvaardijpersoneel door Nederlandsche Marine officieren in de behandeling der bewapening werd onderricht. In totaal kon tot Juli 1944 aan ca. 500 Nederlanders een brevet als koopvaardijdkanonnier worden uitgereikt. Voor de beveiliging van de bemanning werden nieuwe veiligheidsvoorschriften uitgevaardigd en tal van veiligheidsmaatregelen ingevoerd, zooals speciale uitrusting en beveiliging tegen brand der reddingbooten. Bovendien werden naderhand aan alle opvarenden rubber reddingpakken verstrekt.
De Visscherij Van onze groote trawlervloot wisten er slechts 42 tijdens de invasie naar Engeland uit te wijken, terwijl in de loop van 1942 nog twee schepen, de Beatrice en de Katwijk II aan het waakzaam oog van den vijand ontsnapten en overkwamen. De Koninklijke Marine legde echter beslag op 26 trawlers met de beste bemanning, om tot mijnenvegers te worden omgebouwd, zodat er 16 met een bemanning van ca. 170 koppen hun visschersbedrijf in Groot Brittannie konden voortzetten. De schepen werden zoo goed mogelijk bewapend en gepantserd, de deuren van stalen platen voorzien, en machinegeweren en parachute-afweerinstallaties opgesteld. Zij behoefden echter zelden te worden gebruikt, daar de trawlers, verhuurd aan een Britsche firma, de haven Fleetwood aan de westkust van Engeland, als standplaats kregen. Zij visten hoofdzakelijk in de lersche Zee, langs de Westkust van Ierland en gedurende enkele wintermaanden ook in de buurt van IJsland. Toen deze tak van bedrijf eenmaal goed was georganiseerd, kon het gedurende den geheelen oorlog vrijwel ongestoord worden uitgeoefend. Waar de vis in dezen tijd niet naar qualiteit, doch naar quantiteit, tegen vastgestelde prijzen werd afgenomen, waren de verdiensten uiteraard bijzonder goed, vooral daar de trawlers van de meest modernste installaties voorzien waren om de vangst te vergrooten. Hierdoor heeft onze kleine vissersvloot zeker geen onbelangrijke bijdrage aan de voedselvoorziening van Groot britanič kunnen leveren.
|