|
DE INSCHAKELING IN DE OORLOGVOERING
De Nederlandsche koopvaardijvloot voor de invasie DE NEDERLANDSCHE koopvaardijvloot omvatte medio I939 rond 1200 schepen, met een gezamelijke tonnage van ca. drie millioen ton. Zij was niet alleen een van de best uitgeruste en het meest moderne van de wereld, doch bovendien gekenmerkt door een groote verscheidenheid van vaartuigtypen, zoodat er voor practisch elke vaart en voor elke opdracht deugdelijke tonnageter beschikking stond. Zij bestond uit GROOTE VAART 264 lijnschepen1.660.788 b.r.t, 93 trampschepen 377.768 b.r.t „ KORTE VAART 158 lijnschepen 162.880 „ 15 trampschepen 24.000 „ TANKVAART117 tankschepen5 51.896 „ KUSTVAART 495 vaartuigen121.784 „ SLEEPVAART 49 sleepbooten12.904. „ VISSCHERIJ 400 trawlers en loggers Bovendien waren op de werven in Nederland een twintigtal schepen in aanbouw. De Nederlandsche koopvaardij (na Noorwegen de grootste der kleine geallieerde landen) beleefde juist na jaren van depressie een nieuwe bloeiperiode, die met het in de vaart brengen van de beide luxe schepen de Nieuw-Amsterdam en de Oranje een hoogtepunt bereikte.
De overgang naar den " anderen kant " Ten tijde der invasie bevond zich gelukkig het grootste gedeelte van onze groote kostbare lijnschepen buiten schot (de Nieuw-Amsterdam was o.a. te New York) en slechts de Statendam, de J. P. Coen, De Veendam en de Baloeran werden vernietigd of door den vijand buit gemaakt. Bovendien bleven een 6o-tal kleinere schepen, benevens 3oo kustvaartuigen en 3 5 sleepbooten, in Nederland achter. De Nederlandsche Regeering had reeds van tevoren een evacuatieplan voor de koopvaardijvloot uitgewerkt, en dank zij de onmiddellijk genomen maatregelen konden 480 schepen, met tezamen 24 mill. b.r.t. en 12.000 man personeel worden gered en ter beschikking van de geallieerde oorlogvoering gesteld. Het strekt deNederlandsche koopvaardij tot eer, dat geen enkele kapitein aan de lokstem van Hilversum, om naar huis en haard terug te keeren, gevolg gaf, doch de orders uit London gehoorzaamde. De wijze waarop een aantal koopvaardijschepen in die eerste oorlogsdagen op het laatste oogenblik wist to ontsnappen aan den greep van den vijand, onder soms zeer gevaarlijke omstandigheden, was reeds direct een aanwijzing, dat onze zeelieden den strijd koppig zouden. voortzetten. Reeds op 11 Mei 1940 werden H.M.s Gezant te Londen en de Gouverneur-Generaal in Nederlandsch-Indie gemachtigd namens de Regeering op te treden bij de uitvoering van de wetten betreffende de Zeescheepvaart. De Gezant stelde zich onmiddellijk in verbinding met reeders, die zich toevallig te Londen bevonden, en stelde een commissie in om hem van advies te dienen. Dank zij de groote activiteit van deze " Nederlandsche Scheepvaart- en Handelscommissie " kon reeds binnen enkele weken met de Britsche Regeering een regeling tot stand worden gebracht, waarbij haar ongeveer de helft van de Nederlandsche koopvaardijvloot ter beschikking werd gesteld voor den aanvoer en het vervoer van levensmiddelen, troepen en oorlogsmateriaal, terwijl de andere helft voor het transport van producten uit onze Overzeesche Gewesten werd gebruikt. Deze " armada " van koopvaardijschepen, met hun bekwame bemanning, vormde een der belangrijkste bijdragen van Nederland in de oorlogvoering. De "Nederlandsche Scheepvaart en Handelscommissie " kreeg het beheer over 1,5 mill. b.r.t. scheepsruimte en een loonadministratie voor ca. achtduizend zeelieden, met een bedrijfskapitaal van 500-000 Engelse ponden. Het spreekt vanzelf, dat de overschakeling van zulk een geweldige organisatie als de koopvaardijvloot, een groot aantal maatregelen noodzakelijk maakte. Telkens deed zich de behoefte aan nieuwe subcommissies en dochterorganisaties in andere landen gevoelen, zoals de kustvaartsectie, de handelsafdeling, de afdeling : " Zorg voor den zeeman " enz, terwijl ook een Scheepvaartcommissie te New-York werd benoemd. De geheele scheepvaartadministratie breidde zich langzamerhand uit tot een staatsbedrijf met een personeel van 700 man. Een moeilijk punt vormde de verzekering van de vloot, daar de Britsche assuradeurs tot opzegging van alle verzekeringen op schepen, toebehoorend aan zich in bezet gebied bevindende personen of firma's overgingen (in verband met de wet betreffende handel met den vijand). Het overgroote deel van de vloot voer derhalve onverzekerd rond. De Regeering haastte zich de " Scheepvaart-Commissie " tot beheerder,z.g. " custodian " te benoemen, en deze was daardoor gemachtigd met LLoyds nieuwe verzekeringen te sluiten. Teneinde de persoonlijke aansprakelijkheid der commissieleden te beperken en de rechtspersoonlijkheid te regelen,en werd de commissie in een N.V., onder den naam " Netherlands Shipping and Trading Committee Ltd." omgezet, met een kaptaal van £ 5oo.-. Zo was binnen enkele weken een organisatie geschapen, tot wien zich de kapiteins in alle aangelegenheden konden wenden en waar zij orders konden ontvangen. Deze gang van zaken bespoedigde in hooge mate de deelname aan de oorlogvoering. Ondertussen hadden een aantal groote reederijen, o.a. de K.P.M., de J.C.J.-lijn, de K.N.S.M., de Holland-Amerika Lijn, de Mij Nederland, de rotterdamsche Lloyd, de Holl. Stoomboot Mii en Wm. H. Muller & Co. alsmede de oliemaatschappijen haar zetels naar Batavia en Willemstad verplaatst. Dit waren de z.g. vrije Reederijen, die tot de later doorgevoerde bezitsvordering van de vloot haar eigen schepen beheerden. Met een nota dd. 2o Maart 1941 werd, vanwege het Britsche Ministerie van Buitenlandsche Zaken, de "Nederlandsche Scheepvaart- en Handelscommissie " officieel door de Engelsche Regeering als " custodian " van de Nederlandsche koopvaardijvloot erkend.
|