|
1. Inleiding
De Jacob Verolme was een ertstanker, d.w.z. een schip, dat zowel ertsen als olie kon vervoeren. De bedoeling van dit systeem was, dat het schip bijna nooit zonder lading en dus zo min mogelijk in ballast zou behoeven te varen. Als het schip bijv. ijzererts had afgeleverd in IJmuiden voor de Hoogovens, dan zou de Jacob Verolme binnen korte afstand een lading olie kunnen oppikken, al dan niet bewerkt in een raffinaderij om deze dan weer in de buurt van een ertshaven af te leveren, waarna het proces zich kan herhalen. Zo werd voorkomen te vaak in ballast te moeten varen. Het z.g.n. in ballast-varen gebeurde door de olietanks aan de zijkant van het ertsruim vol te pompen met zeewater. Er waren 24 olietanks aanwezig. Twaalf aan stuurboordzijde en 12 tanks aan bakboordzijde. In het midden van het schip was een ertsruim dat over de gehele lengte van het schip doorliep en in enkele waterdichte compartimenten was verdeeld. In de jaren 1960 werden veel van dit type tankers gebouwd.
 Stoomturbine-ertstanker sts JACOB VEROLME

Dit telegram, gebracht door een ambtenaar van de PTT was het begin van het vertrek naar het kantoor aan de Oostelijke Handelskade te Amsterdam om aan te monsteren op de Jacob Verolme,waarna het vertrek met de bus naar Kiel( Noord-Duitsland) volgde.
De Jacob Verolme echter verkeerde in een erbarmelijke onderhoudsstaat. Er was heel veel lekkage aan de stoomverwarmingsleidingen naar de olietanks. En juist deze lekkages zouden op de betreffende reis gerepareerd moeten worden. Het schip was in eigendom van de Nederlandse Ertstanker Maatschappij. De Koninklijke Hollandsche Lloyd in Amsterdam was de operator van het schip, d.w.z. dat de KHL zorgde voor bemanningszaken, regelde het onderhoud van het schip en deed de bevoorrading. Deze maatschappij, die ca. 9 vrachtschepen op Zuid Amerika had varen (de z.g.n. "Land"-schepen)
op welke ik bijna allemaal heb gevaren ( van de KHL, NETM en KNSM ) runde ook de NETM tankers. De NETM had 3 ertstankers varen, dat waren ook de zusterschepen het ss. P.G. Thulin en ss. Johannes Frans.
 Op de bewuste noodlottige reis kwam ik, als 4e scheepswerktuigkundige, met nog een aantal nieuwe bemanningsleden aan boord in Kiel. We waren met een autobus uit Amsterdam vanaf de Oostelijke Handels-kade vertrokken met ca. 12 nieuwe bemanningsleden, waaronder een paar man van de KHL zonder tanker-ervaring. Zo werd dus ook de schrijver van dit verhaal voor een reisje van enkele maanden uitgeleend aan de NETM. Bij aankomst in Kiel (Noord-Duitsland) lag het schip in een van de sluizen van het Kielerkanaal. Daar werd de nodige reparatie-apparatuur aan boord geladen, o.a. elektrische lasapparatuur en ging er speciaal voor het extra werk een machinebankwerker mee. De inspectie-technische dienst van de KHL had al deze zaken voorbereid en zo vertrokken we dus via de Oostzee en Noordzee richting Noord-Afrika om ergens in de buurt van Algiers olie te te laden. Vervolgens werd de reis voortgezet naar Buenos Aires in Argentinie, alwaar de olie werd gelost. Van Buenos Aires ging de reis naar Vitoria in Brazilie. Tijdens deze reis werden de olietanks gereinigd met het Butterworth systeem. Dit is een installatie, waarbij via sproeimolens heet water in de tanks wordt gespoten om zo restanten olie op te lossen en de tanks te cleanen. Dit olie-watermengsel werd weer verzameld in een speciale tank (slob-tank). Na deze reinigingswerkzaamheden zijn de tanks gemeten op aanwezigheid van gas. Vervolg hoofdstuk 2
|